Interview Ingrid Jansen door Harm Jan Dijkstra en Jan Hibma

Hier onder staat een interview met Ingrid Jans door Harm Jan Dijkstra en Jan Hibma en stond in het blad Skaakstikken. We kregen van hen toestemming dit te herpubliseren.

 

HET VEELBEWOGEN LEVEN VAN EEN VOORMALIG

NEDERLANDS SCHAAKKAMPIOENE

 

Ingrid Jansen: ‘Hou je ziel intact’

Het is de tijd van de jaarmarkten. De Jouster merke is al weer achter de rug en de paardenmarkt van Zuidlaren ligt in het nabije verschiet. De herfstasters staan in bloei en Nederland maakt zich na een hete en droge zomer, op voor het najaar en de winter. Met toegeknepen billen, want er heerst onzekerheid. Hoe komt het met de oorlog in Oekraïne en wat gaan de energieprijzen doen?

Twee amateur-reporters begeven zich begin oktober spoorslags naar Steenwijk. In een etablissement aan de Markt aldaar hebben ze een afspraak met de winnares van het Nederlands Kampioenschap schaken voor dames 1968*. Destijds Ingrid Tuk genaamd, maar inmiddels -77 lentes jong- al weer meer dan een halve eeuw door het leven gaand onder haar meisjesnaam: Ingrid Jansen. De begroeting is hartelijk. “Zullen we elkaar maar tutoyeren? We zijn schakers onder elkaar tenslotte, en zo’n beetje van dezelfde generatie,” stelt Ingrid voor. De toch iets jongere reporters stemmen van harte in met de suggestie, blij als ze zijn dat ze deze eerbiedwaardige ‘Queen of Chess’ met je en jij mogen aanspreken. “Zullen we er dan ook maar een wit wijntje bij bestellen?” stelt de jongste van de drie voor. Zijn gesprekspartners knikken instemmend. ”Laten we dat maar doen. Het is tenslotte lunchtijd”.

Geen geheimen

Ik heb eigenlijk geen geheimen”, doet Ingrid de aftrap. “Ik heb me bij alles wat ik heb gedaan nooit afgevraagd ‘wat de mensen er van zouden denken’. Zo benepen heb ik nooit willen leven”. Zo, de toon is gezet. De openhartige verhalen dienen zich aan en duidelijk is dat de interviewers niet zozeer moeite zullen hebben om de gesprekspartner aan te moedigen als wel haar af te remmen. Dit ten einde het voor de lezer enigszins overzichtelijk te houden. “Laten we beginnen bij het begin”, zo stelt één hunner dan ook voor. En zowaar, Ingrid laat zich dat keurslijf aanmeten. “Ik ben twee maanden voor de het einde van de Tweede Wereldoorlog in Rotterdam geboren. Het bombardement en de hongerwinter heb ik dus niet meegemaakt. Negen maanden na mijn geboorte zijn we naar Den Haag verhuisd. Mijn vader was Rijksambtenaar en moest in de residentie wonen. Er werd letterlijk voor ons een woning geconfisqueerd zodat wij daar onderdak hadden.”

Geen tijd

Ik was het eerste kind van mijn ouders en na mij zijn er geen broertjes of zusjes bijgekomen. Achteraf zeg ik gelukkig maar, want mijn ouders hadden eigenlijk geen tijd voor mij. Vader was dol op het zingen van klassieke liederen en mijn moeder begeleidde hem daarbij op de piano. In mijn jonge jaren deden ze dat vrijwel iedere avond. Na het eten tot ’s avonds een uur of elf. En aan mij werd vrijwel geen aandacht geschonken. Ik werd als het ware naar bed verbannen. Het klinkt hard, maar het is de waarheid.”





HCSV

Vrijwel het enige wat mijn vader wel eens met mij deed was een potje dammen. Zelf was hij daar vrij goed in en als kind kon ik eigenlijk nooit van hem winnen. In de doos met het damspel zaten ook schaakstukken en ik vroeg hem of hij mij dat spel ook wilde leren. Daar had hij geen trek in, maar hij nam op een zeker moment wel een collega mee naar huis waarvan hij wist dat het een enthousiast schaker was. Die heeft het mij geleerd en hij was het ook die zag dat ik wel een beetje inzicht had in het spel. Zij moet bij ons op de club komen spelen, zo hield hij mijn vader en moeder voor. En aldus geschiedde. Met een vriendinnetje ging ik de clubavonden van de Haagse Christelijke Schaak Vereniging bezoeken. Samen met schaakclub Discendo Discimus en ik meen De Raadsheer, speelde HCSV in het Nationaal Schaakgebouw in de Van Speijkstraat. Mijn vader ging de eerste paar keren nog wel mee, maar nadat hij mijn moeder had weten te overtuigen dat al die schakers nette en degelijke mannen waren in een pak met stropdas, liet hij ons op eigen houtje naar de club fietsen. Daardoor kon hij zich natuurlijk weer ongestoord wijden aan de liederen van Schubert. Wij schaakten gewoon met de interne competitie mee. Van een aangepast tempo of iets dergelijks was geen sprake. Dat het soms wel eens laat werd, daar had niemand een boodschap aan.”

Vreemde toestanden

Gevraagd naar haar schoolopleiding, schudt Ingrid ruim zestig jaar na dato nog altijd haar hoofd. “Ik ben mijn hele leven altijd in vreemde toestanden terecht gekomen. De middelbare school was ook zoiets. Mijn moeder -ze leeft nog, is inmiddels 102 jaar en woont in een verpleeghuis in Den Haag- bepaalde dat ik naar de tweede VCL moest, een Christelijk Lyceum vlakbij Kuikduin, ver weg van waar wij woonden. Kort samengevat: ik paste daar niet. Ik hoorde daar niet thuis. Ik kreeg geen zakgeld. Ik werd niet uitgenodigd voor verjaardagspartijtjes. Ik stak onaangenaam af tegen de rest van de leerlingen. Ik had astma en ik stotterde. Beroerder kon het bijna niet. Gelukkig was er een schaakclub en daar werd ik lid van. Langs die weg kreeg ik toegang tot het jaarlijkse Kerstschoolschaaktoernooi in Den Haag. Daar kwam ik onder meer in contact met Alexander Münninghoff, de latere biograaf van Euwe. Het was een grote pestkop, maar dat ter zijde. Het toernooi werd geleid door pater Krekelberg. Als het in de speelzaal wat te rumoerig werd riep hij met bulderende stem: ’stilte jongelui’. Als het nu op de club in Steenwijk wat te lawaaiig wordt en ik zit in tijdnood dan imiteer ik Krekelberg en roep ‘de jongelui’ tot de orde. Moet kunnen toch?”

Niet afgemaakt

Mijn middelbare school heb ik niet afgemaakt. Qua leerprestaties ging het aanvankelijk wel goed maar in de vierde klas van het gymnasium ben ik blijven zitten. (De jongste reporter veert vrolijk op en laat Ingrid bemoedigend weten dat hem dit 45 jaar geleden ook is overkomen.) Waar het aan lag? Aan alles en iedereen. Ik was het uithangbord van mijn ouders, ze zaten mij enorm te pushen en daar kon ik niet tegen. Ik had veel last van astma-aanvallen en dan was er natuurlijk het schaken, dat bracht ook veel druk met zich mee. Ik wilde naar de Rietveldacademie, maar dat mocht niet. Mijn vader had voor mij een carrière in het strafrecht in gedachten, maar dat trok mij helemaal niet. Woedend waren ze dat ik van school ging.”

Aansprekende resultaten

Zo rond mijn vijftiende wist ik als schaakster mijn eerste aansprekende resultaat te halen. Ik werd samen met Jos Willemse eerste bij de adspiranten tijdens het al eerder genoemde jaarlijkse Haagse kersttoernooi voor scholieren. Een paar jaar later wist ik het Haags dameskampioenschap op mijn naam te schrijven. Wie er toen allemaal deelnamen weet ik niet meer maar mevrouw mr. P.C. de Klerck was een geduchte tegenstandster.”



Tuk

Dat Haagse kampioenschap gaf mij denk ik recht op deelname aan het Nederlands kampioenschap voor vrouwen. Dat werd in die jaren altijd in Arnhem gespeeld. Ik geloof dat ik een paar keer tweede ben geworden, maar dat telt natuurlijk niet. Op mijn 21e ben ik getrouwd. Ik nam de naam aan van mijn echtgenoot en heette toen Tuk. En onder die naam - Ingrid Tuk- ben ik Nederlands kampioene geworden. Dat was in 1968. Fenny Heemskerk was mijn grote concurrente. We eindigden gelijk en we moesten een beslissingsmatch spelen. Die wist ik te winnen. Ik heb de bij de titel behorende wisselbeker trouwens nooit in mijn bezit gehad.” Naast Tuk namen aan het kampioenschap in ’68 deel de dames Timmer, Heemskerk, Vreeken, M.A. Roodzandt, De Clerck, Van der Giesen, Mesman, Van der Griend en C. Roodzandt.



Veel gekonkel

Of het een leuk clubje was, dat groepje sterkste schaaksters van Nederland? Nou nee, wat dacht je? Rie Timmer was een leuk mens waar ik het goed mee kon vinden en over Fenny Heemskerk ook geen kwaad woord, maar de rest? We stonden niet met gebalde vuisten tegenover elkaar en het was niet voortdurend haat en nijd, maar subtiele pesterijtjes en steekjes onder water, ja die waren er volop. Dat heb je met vrouwen. Veel gekonkel. Maar vervelende mannen waren er natuurlijk ook. Toen ik kampioen was had ik feitelijk recht op een plekje in het Nederlandse team dat landenwedstrijden speelde tegen Engeland en Duitsland. Omdat men mij -zo hoorde ik nadien- niet in het team vond passen, mocht ik niet mee doen. En dat gold trouwens ook voor de toenmalige jeugdkampioen Jantje Timman. Dat was een langharige hippie in de ogen van de Bondsbonzen en dus werd ook hij niet uitgenodigd. Ach, zo ging dat in die tijd. Kennelijk was er een ‘gouden ploeg’ waar je niet zo maar tussen kwam, ook niet als je je als dames- of jeugdkampioen had bewezen.

Stormbaan

Eigenlijk kun je wel zeggen dat mijn schaakcarrière een soort stormbaan was. Je kreeg geen enkele steun, je stond er helemaal alleen voor. Tot vrijdagmiddag laat zat ik in Amsterdam op kantoor en zaterdagochtend moest ik in alle vroegte op Schiphol zijn om in Polen deel te nemen aan de Olympiade. Je kreeg wat daggeld en loonderving en dat was het. Zoek het maar uit, je moest alles zelf doen, de schaakbond deed niks voor je en bijvoorbeeld een man als Bouwmeester ook niet. Wat dat betreft was het dus een goede leerschool voor de rest van mijn leven. Denk niet dat je dingen in je schoot krijgt geworpen. Als je tenminste recht door zee wilt gaan en niet via allerlei trucjes en zijweggetjes je doel wilt bereiken. Ik heb een keer op het punt gestaan om een internationaal meesterresultaat te behalen. Ik was er 7 ratingpunten van verwijderd. Tijdens een toernooi in het voormalige Joegoslavië had ik toe kunnen slaan door in één van de laatste rondes een tegenstander wat geld te bieden. Ik had dat op dat moment niet door, en bovendien had ik het geld ook niet. Maar als ik dat wel had gehad dan had ik het zeer waarschijnlijk nog niet gedaan. Hou je ziel intact, heb ik me zelf altijd voorgehouden.”

Bakker betalen

Op mijn 27e ben ik met schaken gestopt. Ik was gescheiden en dus stond ik er alleen voor. Er moest brood op de plank komen en daartoe moest de bakker worden betaald. Heel simpel. Ik zei al dat ik mijn hele leven steeds in merkwaardige toestanden verzeild raakte. Dat was rond die jaren ook het geval. Het heeft allemaal uitgebreid in Schaakbulletin gestaan en later ook in Het Parool, en los daarvan draai ik er nooit omheen dat ik met mijn kantoorbaan simpelweg niet genoeg verdiende om mijn huis in te richten en om reparaties te betalen. Daarom zocht ik bijverdienste buiten kantoortijd. Dat liep uit op werk in het nachtleven van Amsterdam op het Thorbeckeplein. Ik werd betaald als danseres en verdiende extra commissie door het ‘verkopen van Bouteilles’ oftewel animeren.
Dit was trouwens verplicht, want anders mocht je niet dansen. Een soort van koppelarbeid.
Het had niks met seks te maken. Vergeleken met wat de jeugd tegenwoordig allemaal uitspookt, leek het bij ons meer op een nonnenklooster. Net als met schaken ging ik ook als danseres naar het buitenland. In drie jaar tijd werkte ik in Japan, Thailand en Taiwan. In 1985 keerde ik terug naar Nederland. Een tweede en derde huwelijk volgden, beide keren met een buitenlandse man. Eenmaal terug in Nederland wilde ik graag terug naar kantoor - ik had ooit een praktijkdiploma boekhouden gehaald- maar omdat ik onvoldoende kennis had van het werken met computers, lukte dat niet. Van boekhoudster werd ik huishoudster, een bezigheid waar ik overigens vrijwel altijd een kluns in ben gebleven. Ik heb gewerkt totdat de astma mij het werken onmogelijk maakte. Pensioen heb ik in al die jaren eigenlijk nooit opgebouwd, dus ruim heb ik het momenteel allerminst.”

Weg uit het volle westen

In 2004 ben ik Steenwijk terecht gekomen. In mijn jonge jaren heb ik een paar keer een schaakkamp in de buurt van Diever mogen bezoeken. Ik vond het daar toen zo mooi dat dit deel van het land mij altijd heeft aangetrokken. Weg uit het volle westen, weg uit de grote stad, lekker in de gezonde leefomgeving. Het werd Noordoost-Overijssel, maar het had ook wel een dorpje in Friesland mogen zijn.”

Ik ben 25 jaar geleden gestopt met de prednison-inhaler. Momenteel heb ik ‘s nachts geen astma-aanvallen meer, maar ik heb een chronisch tekort aan energie waar het fysieke arbeid betreft. Ook de gewone inhaler (een luchtwegverwijderaar) heeft invloed op mijn energie. Al dat ‘gepuff’ ontspant dan wel de verkrampingen in de luchtwegen, maar ontspant dan weer àlles, zodat ik als een losgeslagen wingerd overal tegenaan moet leunen. De astma-aanvallen worden steeds erger, maar niettemin ben ik blij dat ik al heel wat jaren geleden ben gestopt met de prednison. Giftige en verslavende rotzooi, als je het mij vraagt. Mijn vertrouwen in de heren medici is niet zo groot, en ik heb mij ook niet laten inenten tegen corona.”

Tijdnood blijft parten spelen

Hier is Steenwijk heb ik, na 32 jaar, het schaken ook weer opgepakt. Het is een leuke club en ik voel me eigenlijk wel thuis in de mannenwereld. In het schaken zelf heb ik wel plezier, maar de tijdnood blijft mij parten spelen en door de astma is mijn energie beperkt. Aan het begin van dit seizoen meende ik te moeten afhaken, omdat ik vreesde dat ik door de enorme inflatie de contributie niet meer zou kunnen opbrengen. Maar gelukkig toonde het bestuur clementie. Ik mag de betaling een jaartje overslaan.”

Weg met die handel

En hoe het verder met de wereld komt? Dat weet ik natuurlijk ook niet. Ik weet wel dat ik door de maatschappij altijd achter de broek ben gezeten om een bepaalde rol te spelen. Weg met die handel, zeg ik nu. Ik ben geen marionet. Zal wel autisme zijn of ADHD. Kan me niks schelen. Kijk naar de jeugd. Hoeveel jonge mensen zijn er tegenwoordig ongelukkig? Hou op met al die druk op hen uit te oefenen. Het leven is een leerschool en daarin zitten blijkbaar allemaal klasjes. Het is alleen niet duidelijk in wat voor klasje je zit, en wat je daar moet leren. Maar niemand kan zes dingen tegelijk doen. Misschien ben ik wel terecht gekomen in een ‘Octopusklasje’ van het leven. Octopus avant la
lettre, want tegenwoordig zit de hele maatschappij in een soort van Octopusontwikkeling
geperst. Er moet steeds meer, en ...tegelijk. En...opschieten een beetje.....Bij die dieren
gaat dat allemaal geolied en uiterst elegant. De mensenmaatschappij is evenwel een grote warboel met al die toeleveringsbedrijven van grote organen, die elkaar allemaal in de wielen rijden.


Ondertussen stroomt het spijs- en dranklokaal gelegen in het hartje van de ‘Olde Veste’ vol met een groep gepensioneerden. Ze drinken koffie en eten gebak en bespreken de dagelijkse dingen. De drie schakers in het hoekje van de zaal kunnen elkaar nauwelijks meer verstaan. Tijd om er een punt achter te zetten. “Is het interview nu al afgelopen?” vraagt Ingrid verbaasd. De reporters knikken. Na twee uur vooral luisteren en notities maken zijn zij aan het eind van hun energie. Ingrid wekt de indruk dat ze nog wel even door kan gaan. Die suggestie doet ze ook. “We kunnen daarginds nog wel even verder praten.” Dat geloven we graag, maar we zetten er een punt achter. We danken onze gesprekspartner voor haar openhartigheid en ze krijgt een cadeautje overhandigd. Een half litertje van de Weduwe Joustra. Het wordt met ondeugende pretoogjes in dank aanvaard. Ingrid Jansen keert op de fiets terug naar haar Steenwijkse woning en de reporters vinden door de nauwe straatjes van het Overijsselse stadje hun weg naar het station. “Hou je ziel intact” echoot het in hun oren.

Jan Hibma en Harm Jan Dijkstra


NB: Uiteraard lieten we de weergave van het interview aan Ingrid lezen. Hier en daar bracht ze in de tekst wat verbeteringen aan. De mail waarin ze haar ‘correcties’ doorgaf besloot ze - hoe typerend- als volgt. “Sorry dat ik niet altijd ‘compatible’ was met wat de burgerlijke moraal voorschreef zo’n vijftig jaar geleden, al dat achterbakse gedoe, en die uiterlijke keurigheid. In ieder geval is dat nu naar de andere kant omgeslagen. Alhoewel....met de schandalen in ‘de Voice’ zie je toch ook weer duidelijk dat ‘vrouwen van Venus komen’ en ‘mannen van Mars’.  Het is maar waar de ‘focus’ ligt, en wat het referentiekader is van die mensen. Nog bedankt voor de Beerenburg, en ik zal daar van de winter eens lekker van gaan genieten, als het flink koud is. Groeten, en nog bedankt voor het Interview. Leuk jullie te ontmoeten. Ingrid Jansen. “. Het genoegen was wederzijds!

(Kaderstukjes)



Partijfragment

Ingrid Jansen heeft Nederland twee keer vertegenwoordigd op een damesolympiade. Een keer in Lublin (Polen) en een keer in Skopje (Joegoslavië.) Uitslagen en partijmateriaal zijn moeilijk te achterhalen. Bijgaand partijfragment dook op in een boekje met als titel: Test Your Chess IQ, samengesteld door A. Livshitz. Ingrid heerst over de witte stukken en met zwart is een zekere Assenova haar tegenstander. De vraag bij de stelling luidt vertaald: waarom doet wit er onverstandig aan om met de loper op c7 te slaan? Dat Ingrid dat wel deed is begrijpelijk. Nadat de loper met de toren van c8 wordt geslagen, heeft wit immers de mogelijkheid om met haar toren die op a4 staat de zwarte loper op b4 te slaan. Als zwart dan met de pion de toren terugneemt (axb4) is het over en uit. Wit antwoordt met Ta1xa8 en zwart staat mat achter de paaltjes. Wie de stelling echter goed bestudeert ziet dat zwart rustig kan slaan op c7. Nadat wit het geofferde stuk terugneemt door Txb4 speelt zwart … Ta8-c8 . En wit kan opgeven. Het gaat mat op c1. Wit kan dat nog wel voorkomen bijvoorbeeld door Ta1-f1 of h2-h3 maar dan slaat zwart de toren wel op b4 en is de materiele achterstand normaal gesproken onoverbrugbaar. Ingrid gaf op.

 

Illustratie

Ingrid Tuk in de ogen van een cartoonist. Ingrid stak tijdens de partij graag een sigaartje op.


Tuk in LC


Acht jaar geleden wijdde Remco Heite in zijn schaakrubriek in de Leeuwarder Courant (en Dagblad van het Noorden) liefst drie afleveringen aan het leven en de werken van Ingrid Tuk. Hij slaagde er zelfs in drie partijen van haar op te diepen uit de duistere krochten van de schaakhistorie. Ingrid zelf heeft geen enkele partij uit haar gloriejaren bewaard. Voor wie de rubrieken na wil lezen, zie de site ‘De krant van toen’. Ze staan in de edities van 19 en 26 april en 3 maart 2014 van de LC. Grappig is wel dat Remco ook bijgaande cartoon – die ooit ook al de voorpagina van Schaakbulletin sierde- in de rubriek opnam. Daarbij is evenwel het meest pikante deel verloren gegaan. Ruimtegebrek of een preutse opmaakredacteur, wie zal het zeggen? Uit de rubriek van 19 april bijgaand fraaie aanvalspartijtje met Tuk aan de witte stukken. 1. e4 e6 2. d4 d5 3. Pc3 dxe4 4. Pxe4 Pd7 5. Lc4 Pgf6 6. Lg5 Le7 7. Pxf6+ Pxf6 8. Pf3 O-O 9. De2 c6 10. O-O-O b5 11. Ld3 Dd5 12. Kb1 Ld7 13. Pe5 Tfd8 14. Lxf6 Lxf6 15. Le4 Dd6 16. Lxh7+ Kxh7 17. Dh5+ Kg8 18. Dxf7+ Kh7 19. Td3 Lg5 20. Th3+ Lh6 21. Txh6+ Zwart, ene Karakas geeft op. Partij uit 1968, het jaar waarin een andere Jansen de Tour de France won.


Reddingshond

Tijdens FSB-wedstrijden had Ingrid regelmatig een knuffelhondje onder handbereik. “Haha” vult Ingrid aan, “dat was geen hondje om te knuffelen, maar was aangesteld als reddingshond (Berner Senner)  Het dier was door mij geïnstrueerd om (alleen hoorbaar voor mij!) te gaan blaffen, als ik in onverantwoorde tijdnood dreigde te raken.  De hond was kennelijk wat "slow in the uptake" want dat werkte niet altijd. Of....mijn antenne voor het geblaf was "slow in the uptake". Tjaaah....en toen kwam de Corona, en....ging alles als een nachtkaars uit. “